“Ik ben een mensen-mens. Deze eenzaamheid is verstikkend. Ik ben normaal gesproken een relaxt iemand, maar dit vreet aan me.”, liet de 26-jarige student Aulia Fairuz Kuntjoro optekenen in de Ukrant. Een andere student gaf aan: “Ik ben een heel aanrakerig iemand en ik probeer altijd mensen om me heen te hebben. Dat is van levensbelang voor mijn geestelijke welzijn; mijn vrienden houden me gezond.” Het moment van interview: 6 april 2020. Iets minder dan een jaar geleden.
Voor jongeren zijn sociale contacten, meer nog dan voor andere groepen, absoluut essentieel voor welzijn, ontwikkeling en identiteitsvorming. Wat de precieze langetermijneffecten zijn bij het (langdurig) uitblijven van deze contacten weten we nog niet, maar iedereen voelt aan dat het nooit goed kan uitpakken. En dat blijkt ook uit wat we al wel weten. In september van vorig jaar, alweer een half jaar geleden (!), berichtte EenVandaag dat maar liefst 74% van jongeren tot 35 jaar last heeft gehad van mentale klachten, “vele malen meer dan die van oudere leeftijdsgroepen”. Meest voorkomend: stress, eenzaamheid en aanhoudende vermoeidheid. En in een onlangs gepubliceerd onderzoek dichter bij huis, door het Sociaal Planbureau Groningen, bleek dat 46% van de studenten zich eenzaam voelt, terwijl dit in totaal (alsnog zorgwekkend) bij één op de vijf Groningers het geval is.
Mede door Femke Halsema, burgemeester van Amsterdam, kwam er grofweg een maand geleden meer aandacht voor de steeds verder verslechterende situatie van jongeren naarmate de coronamaatregelen voortduren. Zij vond daarom dat deze groep voorrang zou moeten krijgen bij versoepelingen. Het kabinet reageerde bij monde van staatssecretaris Paul Blokhuis dat ze wil dat “jongeren elkaar op korte termijn weer fysiek kunnen ontmoeten” en dat gemeenten “buurthuizen, sporthallen of bijvoorbeeld bibliotheken hiervoor openstellen.”, waarbij ze ook nog een smak geld meegaf.
Toch is hier nog weinig van terechtgekomen, terwijl de voor met name jongeren zo beperkende avondklok nog wel steeds geldt. De basisscholen zijn weliswaar weer opengegaan en er mag weer in teamverband gesport worden tot en met 26 jaar, maar het voortgezet onderwijs en het MBO bieden vaak maar één dag school aan, onder strikte coronaregels, en het hoger onderwijs is nog steeds alleen online. Verder zijn er nog steeds niet of nauwelijks plekken waar “jongeren elkaar op korte termijn weer fysiek kunnen ontmoeten”. Niet voor niets stuurde de koepelorganisatie van studieverenigingen op 3 maart nog een noodbrief: voor nú versoepelingen door.
De gemeente moet daarom alles in het werk stellen om deze welzijnscrisis te lijf te gaan. Zij is het eerste aanspreekpunt voor Groningers die haar nodig hebben en elke dag niet ingrijpen komt straks als een boomerang terug. Sterker, nu al moet het college meer geld uittrekken om de wachtlijsten in de jeugdhulpverlening aan te pakken. Het gebruik van jeugdzorg en de jongeren-GGZ zal alleen maar toenemen, evenals het feit dat jongeren massaal werkloos geworden zijn, waarbij het einde nog niet in zicht is. En ook op dat gebied kloppen jongeren terecht als eerste aan bij de gemeente.
Daarom moet de gemeente op twee sporen aan de slag. Allereerst moet ze binnen de coronaregels het maximale doen om toch studie-, ontmoetings- en ontspanningsplekken op te zetten voor jongeren. Misschien kan het Forum hiervoor worden gebruikt, leegstaande horeca of sportzalen en buurthuizen. Ook kan ze sporttoernooien in de wijk organiseren en aangeven welke buitenplekken fijn zijn, zodat niet iedereen opgepropt in het Noorderplantsoen terecht komt.
Daarnaast moet ze bij de Veiligheidsregio ambitie tonen op het gebied van experimenten met sneltesten en Fieldlabs zodat jongeren elkaar weer kunnen zien zonder 1,5 meter afstand. Als jongste gemeente van Nederland hoort Groningen hierin vooraan te staan en dat is nu absoluut niet het geval. En ja, dit is niet zonder risico’s. Maar de risico’s van een generatie die geen perspectief meer ziet en sterke ontwikkelingsschade oploopt liegen er ook niet om.